Blog

Waarom ook Robert M. recht op verdediging heeft! (Recht op bijstand)

Eén van de belangrijkste principes van een rechtsstaat is, dat een verdachte recht heeft op juridische bijstand in het vooronderzoek en tijdens de terechtzitting. Als ik een ander (op een feestje of een andere gelegenheid) vertel dat ik rechten studeer, blijkt het recht op bijstand toch niet begrepen te worden. Vaak krijg ik te horen dat het te wijten is aan verdachten dat zij in contact komen met het strafrecht. En Robert M. is het boegbeeld van iemand die absoluut geen recht heeft op juridische bijstand. Hij heeft zijn rechten verspeeld, krijg ik vaak te horen. Er lijkt hierover overeenstemming te zijn binnen de samenleving. Ik – als student rechten – ben het daar absoluut niet mee eens. Om het voorgaande bepleit ik dat eenieder recht moet hebben op juridische bijstand en dat uitzonderingen op deze regel niet bestaan. Sterker nog, ik bepleit dat iedereen dat recht moet willen beschermen. Een stelling waarvan een groot deel van onze samenleving walgt en een stelling die absoluut veel stof doet opwaaien. Maar ik kan vier redenen bedenken waarom juridische bijstand zelfs in de situatie van Robert M., hoe moreel verwerpelijk zijn gedragingen ook zijn, onmisbaar is.

Allereerst is het recht op juridische bijstand een kleine rechtswaarborg tegenover een machtige tegenspeler, namelijk: de staat. In een rechtszaak staan het Openbaar Ministerie (OM) en de verdachte tegenover elkaar. Het OM heeft circa 5000 werknemers, waarvan het grootste gedeelte een juridische achtergrond heeft. En volgens de Rijksbegroting had het OM in het jaar 2016 een budget van circa 210 miljoen euro’s (exclusief uitgaven aan personeel en materieel). Het is duidelijk, lijkt me, dat een individu zwak is tegenover een dergelijk staatsapparaat. Ook in rechten is er een aanzienlijk verschil tussen het OM en de verdachte. Het OM heeft, vooral in het vooronderzoek, een enorm arsenaal aan mogelijkheden, zoals stelselmatige observatie, infiltratie, opnemen van vertrouwelijke informatie, en – wellicht het meest ingrijpende middel – voorlopige hechtenis. Daartegenover heeft de verdachte een aantal rechtswaarborgen, waarvan de twee bekendste het zwijgrecht en het recht op juridische bijstand zijn.

Verder valt me op dat de rol van de advocaat sterk overschat wordt. Het Nederlandse (straf)recht werkt met professionele rechters en de wet bepaalt in welke gevallen de rechter tot schuldigverklaring kan overgaan. Over het algemeen werkt het systeem van professionele (straf)rechters behoorlijk. Stelt u zich voor dat een persoon wordt verdacht van bijvoorbeeld doodslag (art. 287 Wetboek van Strafrecht) en in het huis van de verdachte is een vuurwapen gevonden. Na onderzoek blijkt dat de kogel, waarmee het slachtoffer is gedood, van het vuurwapen afkomstig is en er zijn ook nog eens twee getuigen van de gebeurtenis. In zo’n geval kan de verdachte alle strafpleiters in Nederland inhuren voor bijstand, maar de kans dat de verdachte zal worden vrijgesproken is nihil.

De rol van de advocaat in de voorfase van een strafzaak bestaat vooral uit het controleren van het onderzoek, omdat ook het OM zich aan wettelijke regels moet houden.Tijdens de rechtszitting is de taak van de advocaat om het verhaal van de verdachte uit te leggen. Het is namelijk te stellen dat het recht een eigen taal kent. Sterker nog, het recht is een gesloten systeem van woorden. Een advocaat heeft kennis over de (juridische) taal en kan uw verhaal dan ook vertalen.

Indien de rechter tot een oordeel komt dat de verdachte vrijgesproken moet worden, zal in het overgrote gedeelte van de gevallen sprake zijn van een niet-sluitend verhaal van het OM. Een goede advocaat wijst de rechter enkel op het feit dat de bewijsmiddelen niet overtuigend zijn en alternatieve scenario’s tot de mogelijkheden behoren. De advocaat heeft niet een magische stok, waarmee hij bewijsmateriaal kan doen verdwijnen. De rechter overtuigen met een leugenachtig verhaal, dat volgens de bewijsmiddelen overduidelijk niet klopt, behoort ook niet tot de mogelijkheden.

Een derde argument is de bepaling van diegenen die geen recht op verdediging moeten hebben. Als we zover zijn als samenleving en de volksvertegenwoordiging is bereid de wet aan te passen, wie zal dan volgens die wetswijziging uitgezonderd moeten worden van het recht op juridische bijstand? Zijn het verdachten van zedenzaken, terroristen of verdachten van misdrijven gericht op het leven? Of misschien wel allemaal? Het is naar mijn mening zeer moeilijk te bepalen wie uitgezonderd moet worden. En in ieder geval ben ik ervan overtuigd dat het wegnemen van het absolute karakter van dit recht, op den duur zal leiden tot een situatie waarin niemand recht heeft op juridische bijstand. Terwijl circa 10% van de verdachten wordt vrijgesproken (peildatum 2016).

Zoals het tekenend is in een individualistische samenleving, vraagt u zichzelf waarschijnlijk af wat dit betekent voor u. Bij mij zal het toch nooit zover komen, hoor ik u zeggen. Ik wil u hierbij dan ook op het hart drukken: strafrechtelijke aansprakelijkheid is zeer dichtbij! U moet hierbij bijvoorbeeld denken aan het verkeer. Er zijn hiervan talloze voorbeelden in de rechtspraak. Een moment van onoplettendheid en/of een overschrijding van de toegestane maximumsnelheid kan catastrofale resultaten tot gevolg hebben. Ook kunnen zich situaties voordoen, waarvoor u niet hebt gekozen. U kunt hierbij denken aan een inbreker die u in uw huis betrapt en uit angst en in een toestand van paniek, of zelfs bewust, met het eerste voorwerp dat u kunt vinden (bijvoorbeeld een knuppel) een klap op zijn achterhoofd verkoopt. Het gevolg: de dood. In dergelijke gevallen moet u zich verantwoorden voor de rechter. Ik kan me bedenken dat u maar al te blij zal zijn met een ervaren strafpleiter die u begeleidt door het proces. Concluderend, het recht op juridische bijstand is een rechtswaarborg voor u en mij!

Auteur: Koray Akca

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *