Blog

Strafrechtelijke beperkingen op de vrijheid van meningsuiting

‘Voor het openbaren van gedachten en gevoelens…heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan’, aldus art. 7 lid 3 van de Grondwet. Niet veel mensen zouden dit zinsdeel als zodanig herkennen, maar we hebben het hier over veruit het bekendste grondrecht van een democratische rechtsstaat. Het grondrecht is niet te onderschatten voor een optimale werking van een rechtsstaat, desondanks wordt in de samenleving een te brede reikwijdte gegeven aan de vrijheid van meningsuiting. Het is tegenwoordig dan ook een vrijbrief om letterlijk elke gedachte en gevoel te uiten, maar artikel 7 van de Grondwet is nooit ongeclausuleerd geweest. Al bij de invoering van de eerste Grondwet in 1798 was dit recht al beperkt. Met andere woorden, de wetgever heeft nooit de intentie gehad om letterlijk alle gedachten en gevoelens te tolereren. Dus nog onbekender van dit artikel is het zinsdeel: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel heeft betrekking op wettelijke beperkingen van de vrijheid van meningsuiting. En tegenwoordig wordt zelfs gesproken om bepaalde beperkingen te schrappen uit de wet. Maar werken deze beperkingen daadwerkelijk belemmerend voor het functioneren van de vrijheid van meningsuiting of bewerkstelligen ze juist een zuiverdere werking?

In bijvoorbeeld de VS zijn dergelijke beperkingen niet toegestaan volgens de grondwet. Maar Nederland is niet het enige land met beperkingen. Vooral in de Europese rechtsstaten komen deze beperkingen veelvuldig voor. Overigens is het noemenswaardig te melden, dat de rechtsstaatgedachte haar oorsprong kent in Europa en daarmee zijn de Europeanen de stichters van de moderne (democratische) rechtsstaat.

Om te kunnen beoordelen of deze beperkingen belemmerend werken, is het ook belangrijk de functie van de vrijheid van meningsuiting binnen de rechtsstaat uiteen te zetten. De functie van de vrijheid van meningsuiting in de Europese cultuur is, om de inhoud van uitingen te tolereren voor zover deze bijdragen aan de werking van de rechtsstaat. Voorts draagt de vrijheid van meningsuiting bij aan het democratische gehalte van een staat, omdat het volk druk kan uitoefenen door kritiek, protest, et cetera, die in ieder geval door uitingen worden verwezenlijkt. En daarom is het dan ook verboden om uitingen te onderwerpen aan voorafgaand verlof, zodat de staat niet kan voorkomen dat bepaalde uitingen worden gedaan. Hetgeen betekent dat in alle gevallen de rechterlijke macht achteraf moet beoordelen of een uiting strafbaar is. Maar de scheidslijn tussen strafbare en niet-strafbare uitingen is soms moeilijk te maken, vooral omdat een dissidentenmening veelal als aanstootgevend wordt ervaren door de rest van de samenleving. Dat is dan ook de reden waarom de rechterlijke macht altijd afstandelijk is geweest voor de toepassing van de strafrechtelijke beperkingen. Met name bij publieke uitingen, oftewel uitingen die het algemeen belang dienen, worden zeer sporadisch (achteraf) bestraft door rechters.

Het overgrote deel van de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. De beperkingen zijn ingedeeld in de titels 2, 5 en 12 van Boek 2 van dit Wetboek. Concreet houdt het de volgende beperkingen in:

  1. artikelen 111-113 – opzettelijke belediging van de Koning of zijn familieleden;
  2. artikelen 131-132 – aanzetten tot een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag;
  3. artikel 137c – groepsbelediging op basis van ras, levensovertuiging, geslacht, seksuele geaardheid of lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;
  4. artikel 137d – openbaar aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegen leden van groepen;
  5. artikel 137e – openbaar maken, verspreiden of ter verspreiding in voorraad hebben van publicaties met groepsbeledigingen;
  6. artikel 261 – het opzettelijk aanranden van eens anders eer of goede naam (ook wel: smaad);
  7. artikel 262 – opzettelijk plegen van smaad wetende dat het feit in strijd met de waarheid is (ook wel: laster), en;
  8. artikel 266 – opzettelijke belediging.

Opmerking verdient dat het huidige Wetboek van Strafrecht in 1881 is ingevoerd in het Koninkrijk der Nederlanden en sindsdien zijn de meeste bepalingen intact gebleven. Nou worden tegenwoordig de artikelen 111-113 niet vaak toegepast in de rechtspraak en is godslastering uit het Wetboek geschrapt, maar de overige artikelen hebben nog steeds een functie binnen de Nederlandse rechtsstaat.

Naar mijn mening werken deze strafrechtelijke beperkingen juist bevorderlijk voor de vrijheid van meningsuiting. Door bepaalde uitingen strafbaar te stellen wordt vertroebeling in het publieke debat voorkomen door de wetgever. Het publieke debat moet namelijk gevoerd worden op basis van visies/meningen, die zijn onderbouwd door argumenten. En ‘les één’ van argumentatievaardigheden is, dat een persoonlijke aanval een drogreden is. Dus men mag een mening of visie keihard bestrijden, maar mag zich daarbij niet richten tot de persoon. De artikelen 261, 262 en 266 hebben als functie om een dergelijke vertroebeling te voorkomen binnen het debat. Mochten deze beperkingen er niet zijn, zouden mensen elkaar (kunnen) proberen te diskwalificeren door simpelweg over elkaar te liegen. Dergelijke uitingen zouden de kern van het debat kunnen aantasten, waardoor niet meer wordt gesproken over een probleem, maar over randzaken. En in hoeverre zou dat moeten bijdragen aan het debat?

Ook moet de vrijheid van meningsuiting passen binnen het volledige rechtsstaatgedachte. Met de (onveranderlijke) pilaren van de rechtsstaat hebben wij als samenleving gelijkheid, vrijheid en broederschap doen prevaleren boven het recht van de sterkste, rechtvaardigheid heeft plaats gemaakt voor willekeur door machthebbers en het uitoefenen van geweld hebben wij overgedragen aan de staat. Dus snijden ook de artikelen 131-132, 137c, 137d en 137e hout. Deze bepalingen voorkomen dat bijvoorbeeld de meerderheid, met dreiging tot of uitoefening van geweld of door diskwalificatie van groepen op basis van onveranderlijke kenmerken, haar wil kan doordrukken aan minderheden.

Concluderend ben ik dan ook van mening dat de strafrechtelijke beperkingen van de vrijheid van meningsuiting broodnodig zijn. Zij voorkomen vertroebeling van het debat door drogredenering en onderdrukking van minderheden. Net zoals iedereen zal begrijpen dat de vrijheid van godsdienst prachtig is, maar beperkt moet worden, indien wordt aangespoord tot omverwerping van de staat door toepassing van geweld.  Ook de vrijheid van meningsuiting is prachtig! Maar de reikwijdte moet gelimiteerd blijven tot uitspraken die bijdragen aan het verbeteren van de samenleving en controle uit te oefenen op de machthebbers des lands. Daarmee moeten uitspraken over het mislukken van de multiculturele samenleving getolereerd worden, maar uitspraken die een hele groep diskwalificeren op basis van hun godsdienst, seksuele geaardheid, et cetera moeten leiden tot een strafrechtelijke veroordeling. Evenals zorgen over bepaalde religieuze stromingen binnen onze samenleving (lees: de Islam) dienen getolereerd worden, en indien men oneens is met deze opvattingen moet zij deze uitingen keihard bestrijden (en niet de personen die deze uitspraken doen). Maar uitspraken over het lynchen van aanhangers van een bepaalde religieuze stroming moeten verboden blijven. Zo kunnen wij met zijn allen de juiste werking van de rechtsstaat garanderen.

Auteur: Koray Akca

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *